St.-Franciscusparochie Heverlee - Kessel-lo - Leuven Federatie FRANDO FRanciscus ANtonius DOn bosco
GPS-adres parochie: Tiensesteenweg
190, 3001 Heverlee |
|
CHILI : Sociale en religieuze reisindrukken Door: Modest Goossens |
In de voorbije lente (2002 nvr) had ik weer de gelegenheid om met Duitse collega’s-geografen een studiereis te maken, dit keer doorheen Chili. En zoals vroeger voor Ierland, Jordanië en Iran, wil ik ook nu enkele artikeltjes ten beste geven aan de lezers van ons parochieblad. Het hoofdaccent van mijn reis lag beroepshalve op het geografische, voornamelijk op de landschappen met het wel en wee van de bevolking. Toch zal ik trachten Chili te bekijken vanuit een sociaal-religieuze gezichtshoek aan de hand van specifieke thema’s. Voor het Westen is Chili een ver afgelegen onbekend land, een uithoek van het vroegere Spaanse koloniale Rijk met een traditionele katholieke stempel, maar waar de gevolgen van de dictatuur van Pinochet nog niet zijn verwerkt.
|
|
|
1. Chili, ‘een land waar de aarde ophoudt’
De leerrijke reisgids ‘Chili’ van de uitgeverij Elmar begint met de kenmerkende uitspraak : ‘Chili, land waar de aarde ophoudt’. Dat zou trouwens de betekenis zijn van de naam Chili voor de oorspronkelijke bewoners. Tegen deze achtergrond wil ik de sociaal-religieuze artikeltjes plaatsen. Het eerste inleidend artikeltje is derhalve een geografische situatieschets.
De oppervlakte van Chili is 25 maal die van België. De vorm is echter heel anders en wordt wel eens vergeleken met een schoenveter, namelijk zeer lang (ruim 4000 km noord-zuid) en zeer smal (gemiddeld 150 km west-oost), geklemd tussen de Stille Oceaan en het hoge Andesgebergte met zijn honderden besneeuwde vulkaankegels (Aconcagua nabij Santiago is 6900m hoog). Een echte kustvlakte ontbreekt omdat het kustgebergte (tot 2 à 3000m hoog) meestal met steile kliffen in de zee duikt. In het zuidelijk deel is dit kustgebergte verbrokkeld tot een eilandenrij, een complexe eilandenarchipel. Tussen beide bergketens bevindt zich voor het grootste gedeelte een centrale laag gelegen zone, die met breuken is afgeboord. En vóór de Chileense kust bereikt de zee (Atacama-trog) een diepte van meer dan 8000m. Op een afstand van nog geen 300km is er aldus een hoogteverschil van 15000m tussen de zeebodem en de hoogste Andes. Enorme tektonische krachten zijn aan het werk geweest sinds de tweede helft van het Secundair tijdperk. Afrika en Zuid-Amerika zijn uit elkaar gaan drijven en de Nazca-plaat (onder de Stille Oceaan) is bij het botsen met de westkust van Zuid-Amerika langzaam onder dit continent gaan schuiven. Door dat schuiven van tektonische platen en het omhoogdringen van dieptegesteenten ontstonden grote breuken en vele vulkanen met bijhorende aardbevingen, die ook in de historische tijd nog actief zijn.
De enorme noord-zuid uitgestrektheid tussen 17 en 56° zuiderbreedte (te vergelijken met de afstand tussen Glasgow-Schotland en Dakar-Senegal op het noordelijk halfrond) zorgt voor zeer grote klimaatsverschillen, gaande van de noordelijke Atacama-woestijn (de droogste van de wereld) met zoutmeren, over mediterrane klimaatgebieden, gematigde regenwouden, tot de omvangrijke ijsvelden, gletsjers en koude steppen in het zuiden. Dat Chili een land is van uitersten blijkt ook uit de veel gebruikte regionale indeling : het Grote Noorden (‘Norte Grande’), het Kleine Noorden (‘Norte Chico’), Centraal-Chili (met Santiago en Concepción), het Kleine Zuiden (met Valdivia en het merengebied) en het Grote Zuiden (met Patagonië en Vuurland).
Chili telde in het jaar 2000 15,2 miljoen inwoners (in 1950 slechts 6 miljoen), waarvan 40% jonger is dan 20 jaar. De laatste jaren is het geboortecijfer sterk afgenomen tot bijna het Europees niveau, maar door de jonge bevolking zal de bevolkingsgroei toch nog een aantal jaren doorgaan. De grote bevolkingstoename is vooral in de steden terecht gekomen en in de centrale vallei van Midden-Chili. De hoofdstad Santiago telt alleen al 5 miljoen inwoners. In de overige regio’s en buiten de steden woont dus maar een geringe bevolking, die er geconcentreerd is in oasen, in kleinere centra en nabij de grondstofmijnen. De levensverwachting is met 72 jaar veel beter dan elders in Latijns-Amerika en bereikt bijna het westers peil. Ook het inkomen per hoofd ligt merkelijk hoger (3 à 4 maal meer dan in de buurlanden Peru en Bolivia), maar blijft toch nog ver beneden dat van westerse landen. In Chili zelf is echter de kloof tussen de rijke bovenlaag en de arme massa nog steeds onrustwekkend.
De ligging van Chili maakt er een zeer geïsoleerd land van. Zelfs vandaag de dag is er slechts één belangrijke verkeersas, die noord-zuid gericht is en een onderdeel vormt van de ‘Carretera Pan-Americana’ vanuit Peru, maar het Grote Zuiden is er nog niet op aangesloten en is dus slechts per boot of per vliegtuig te bereiken. Anderzijds zijn de dwarsverbindingen (west-oost) met Bolivia en Argentinië schaars en moeilijk; de grenzen met Chili komen immers overeen met de toppen van de Andes en de waterscheiding tussen de Atlantische en de Stille Oceaan. Sinds 1914 zijn de Chileense havens via het Panama-kanaal te bereiken. Voordien konden de schepen de westkust van de Noord- en Zuid-Amerika slechts bereiken via de straat van Magalhaes (ontdekt in 1520), met de paradox dat toen de Chileense havens meer betekenden dan nu.
Algemeen wordt aangenomen dat de moderne mens zijn oorsprong heeft in Zuidelijk Afrika en dat hij vandaar via de Nijlvallei en het Midden-Oosten getrokken is naar Europa en Azië, om via de drooggevallen Beringstraat (laatste ijstijd) en Noord-Amerika uiteindelijk ook Midden- en Zuid-Amerika te bereiken. Jagers en verzamelaars zouden al tussen 17000 en 12000 jaar geleden Vuurland bereikt hebben. Ook bij de (her)ontdekking van Amerika door de Spanjaarden, kwam Chili slechts in laatste instantie aan bod.
|
|
|
2. Chili, het meest katholieke land van Latijns-Amerika
De ‘ontdekking van Amerika door Colombus’ is maar juist als men door een Europese bril kijkt. Men zou beter van een herontdekking spreken, omdat de Indianen er al duizenden jaren vroeger toegekomen waren. De Spaanse kolonisatie moet dan ook eerder als een verovering bestempeld worden, die hand in hand ging met de christianisering van de inheemse bevolking. Mede door de geïsoleerde ligging is Chili, meer dan de overige landen, uitgesproken katholiek gebleven. Uit een nationale enquête van 2001, georganiseerd door het Sociologisch Instituut van de pontificale katholieke universiteit van Chili, is gebleken dat 75% van de bevolking zich rekent tot de katholieke kerk, 14% is evangelisch, 3% heeft een niet-christelijke godsdienst en 8% is ongelovig. De evangelische kerken winnen de jongste jaren veld, vooral bij de lagere sociale bevolkingsklassen waar ze tot 20% bereiken. Protestantse sekten van USA-origine (getuigen van Jehova, Mormonen, Adventisten...) zijn de laatste twee decennia bijzonder actief opgetreden en richten zich nu ook tot de Indianen, die volgens deze zendelingen een fout ‘Indiaans-katholiek’ geloof hebben moeten aannemen.
Toch wordt de ontkerkelijking ook in Chili voelbaar. Van de jongeren tussen 18 en 24 jaar rekent 20% zich tot geen enkele godsdienst. De helft van de jongeren meent dat de katholieke kerk veel grotere aandacht moet opbrengen voor de extreme armoede, een krachtigere stem moet laten horen inzake mensenrechten en economische ongelijkheid en tevens meer begrip en realiteitszin moet opbrengen inzake echtscheiding, anticonceptiva en abortus.
Van de evangelische christenen is nagenoeg één derde van katholieke ouders. Toch gaat van de evangelische christenen nog meer dan de helft wekelijks naar de kerk, terwijl dat bij de katholieken slechts één vierde is. Van beide kerkgemeenschappen zegt één op vier nooit meer naar de kerk te gaan, alhoewel de overgrote meerderheid van de kinderen gedoopt wordt.
Inzake moreel gedrag zet de overgrote meerderheid (tot 90% ?) van alle christenen zich af tegen abortus, drugs, homoseksualiteit en daarbij zijn de evangelische kerken het meest conservatief. Toch verzwakt overal de weerstand tegen het gebruik van contraceptiva, het ongehuwd samenwonen en de legalisatie van echtscheiding. Rond de 50% zou al voor de legalisering gewonnen zijn, maar bij de hogere kerkelijke kringen is dit nog steeds onbespreekbaar. Uit het sociologisch onderzoek blijkt ten slotte dat slechts 15% van de Chilenen vertrouwen heeft in het gerecht, de televisie en het parlement, terwijl bijna twee derde vertrouwen stelt in de kerk.
In het voorjaar van 2001 kwamen vele mannelijke en vrouwelijke religieuzen samen om zich te bezinnen over ‘waarheen met het religieuze leven in Chili?’ Ze waren talrijk opgekomen uit de gezondheidszorg, het onderwijs, de rusthuizen, de armenzorg...Men stelde dat Chileense religieuzen vandaag zich niet mogen opsluiten in de engte van de eigen congregatie, maar meer contact moeten zoeken over de grenzen met andere Latijns-Amerikaanse landen en dat ze in moeten gaan op de uitdaging van de huidige maatschappij, de actuele levenswijze van mannen en vrouwen van nu, inclusief de jongeren. Ook religieuzen moeten zich bewust zijn dat de huidige samenleving gekenmerkt is door een individualistische manier van denken, voelen en handelen. Dat individualisme heeft tentakels in de economie, de politiek en de cultuur met als universele wet de concurrentie ten nadele van de zwaksten. De postmoderne mens leeft sterk op zichzelf betrokken. In die individualistische wereld zijn religieuzen geroepen om inzake naastenliefde en solidariteit een ‘tehuis’, een ‘school’ voor de gemeenschap te zijn.
Uit dat religieus overleg bleek ook dat de kerk veel te weinig aandacht heeft voor de positie van de vrouw en voor de levenswijze van jongeren. Gevoeligheden, denkwijzen, bezorgdheid, acties en reacties van vrouwen en jongeren verrijken de mensheid en moeten ook concreet in de kerk verdisconteerd worden. Men moet terug naar de kern van de Blijde Boodschap van Jezus, die met ons allen aan tafel wil zitten om het brood te breken, om de ogen voor mekaar te openen, om pijn en honger te verhelpen, om te zorgen voor meer verdraagzaamheid, vrede, dialoog... idealen ons voorgehouden door het evangelie.
De hoger vermelde doelstellingen tracht men in Chili waar te maken in de lokale christelijke basisgemeenschappen via een liturgie die aanspreekt, via dienstbetoon met inzet van velen, ook van vrouwen en jongeren. Anderzijds is het me opgevallen dat de kerkjes in Indianengebieden weinig vitaliteit uitstralen en dat in de grotere kerken van de steden de liturgie nog erg conservatief opgevat wordt. Bij de laatste nieuwbenoemde kardinalen was ook de bisschop van Santiago, waarvan nogal wat vernieuwingshoop uitging. Ik heb echter de tekst van zijn eerste brief als pas benoemde kardinaal kunnen lezen. Daarin werd het kerkelijk gezag onderlijnd met een erg conservatieve evangelietoelichting, zonder enige aandacht voor de problemen die de kern vormen van het dagelijkse leven in de derde wereld en meer bepaald in Chili. Ook hier wordt men de kloof gewaar tussen de kerkelijke hiërarchie en de verzuchtingen van de basisgemeenschappen van priesters, religieuzen en gewone gelovigen.
|
|
|
3. 500 jaar (her)ontdekking en evangelisatie
Het precolumbiaanse Chili komt in een volgend artikeltje ter sprake. Hier willen we het hebben over de periode vanaf de Spaanse conquista. Het was de Portugees Fernao Magalhaes die via de zuidpunt van Amerika Indië wilde bereiken. Hij kreeg echter niet de steun van koning Emmanuel van Portugal. Daarom trad hij in Spaanse dienst en kon met vijf schepen vanuit Zuid-Spanje vertrekken. Een maand had hij nodig om doorheen de wirwar van de versneden zuidkust een doorgang (straat van Magalhaes) naar de Stille Oceaan te vinden. Het was in 1520 dat hij als eerste Europeaan het Chileense grondgebied betrad. Maar het is pas nadat de Spanjaarden het Incarijk hadden verwoest en zich elders in Zuid-Amerika hadden gevestigd, dat in 1536 een eerste mislukte poging vanuit Lima-Peru werd ondernomen om Chili te veroveren op zoek naar ... goud en zilver.
Het is Pedro de Valdivia die in 1541 er in slaagt Chili voor de Spaanse kroon in te nemen en de steden Santiago, Valparaiso en Valdivia te stichten. Na de verovering werden grote delen van Centraal-Chili opgedeeld in ‘encomiendas’, die vooral aan officieren en soldaten werden gegeven voor bewezen diensten Dat werd de basis van het grootgrondbezit. Indianen werden echter niet, zoals de zwarten, als slaven verkocht, maar ze werden wel tewerkgesteld als landarbeiders, zoals trouwens ook vele mestiezen. Spaanse missionarissen volgden om de Indianen te christianiseren en kerkjes te bouwen. Het zuiden van Chili (Mapuche-Indianen) bood echter sterke weerstand en zou maar drie eeuwen later veroverd worden. Naar schatting leefden er rond 1500 ruim een half miljoen Indianen in Chili, en wellicht zelfs veel meer.
Zoals in heel Zuid-Amerika wilden ook de bewoners van Chili zich onttrekken aan Spanje. Bernardo O’Higgins (van Ierse afkomst) kon in 1818 het Spaanse leger verslaan en de onafhankelijke republiek uit te roepen. De grootgrondbezitters bleven echter hun rijkdom behouden. Met het oog op de rijke guano- en nitraatvoorkomens in het noorden wist Chili die gebieden in 1879 te veroveren op Bolivia en Peru tijdens de ‘Pacifische oorlog’, waardoor Chili’s grondgebied sterk naar het noorden werd uitgebreid. Ook in het zuiden breidde Chili uit door de Mapuches-Indianen te onderwerpen en samen te drijven in enkele reservaten. Om die nieuwe zuidelijke gebieden te koloniseren werden duizenden Europeanen (vooral Duitsers) aangetrokken.
Chili kreeg in 1884, als als eerste land in Zuid-Amerika, algemeen kiesrecht en een parlement met een democratisch gekozen president. Door de uitvinding van kunstmest verzwakte rond de Eerste Wereldoorlog de rol van nitraat en guano. De grootschalige ontginning van rijke koperertsen kwam in de plaats, maar de koperwinsten verdwenen grotendeels in Amerikaanse handen... tot 1970. In dat jaar werd de eerste marxistische president Allende met een nipte meerderheid verkozen. Hij beloofde een echt onafhankelijk en rechtvaardig land te maken via nationalisatie van banken, mijnen..., de herverdeling van het grootgrondbezit en sociale voorzieningen, waardoor ook de armen het beter zouden hebben. In 1973 werd Allende herkozen...
De machten van rechts, gesteund door politie en leger, zorgden voor een staatsgreep, bombardeerden het Moneda-paleis waarbij Allende de dood vond. Generaal Pinochet leidde sindsdien 17 jaar lang de dictatuur met de gekende terreur : enkele duizenden doden, verbod van politieke partijen en vakbonden. Velen ontvluchtten Chili of werden verbannen. In het begin was er echter weinig tegenstand en had hij de steun van de hoge en midden klassen. De economie floreerde wel, maar de kloof tussen arm en rijk vergrootte sterk, terwijl onderwijs, gezondheidszorg en andere sociale voorzieningen verwaarloosd werden. Slechts in de tachtiger jaren groeide er weerstand en ging de katholieke kerk een belangrijke rol spelen in het verzet tegen Pinochet en in de strijd voor mensenrechten. In 1989 kwamen er opnieuw vrije verkiezingen, die gewonnen werden door de oppositiepartijen. Er kwam een wettig gekozen president, die een voorzichtig beleid voerde, gericht op verzoening en rechtvaardigheid. Pinochet echter behield de leiding van de strijdkrachten tot in 1998. Ook op dit ogenblik telt Chili nog zeer veel Pinochet-aanhangers, want ze beschouwen hem nog steeds als ‘hun generaal’ en slechts geleidelijk vermindert de angst van de vele gefolterden en verbannen of zwijgende Chilenen.
Sinds 1990 hebben de opeenvolgende democratische presidenten en regeringen veel gedaan om de kloof tussen rijk en arm te verkleinen, o.a. door sociale programma’s en internationale steun. Toch neemt de armoede, mede door de nog toenemende bevolking, slechts langzaam af. Lagos, de sinds 2000 populaire president, krijgt zijn programma maar traag van de grond. Er is de eindeloze crisis van de derde wereld, die met heel wat eufemismen wordt weggewenst en vele politici missen nog steeds de slagkracht om met het dictatoriaal verleden af te rekenen, terwijl de kwalen van het westen (misdaad, drugs, ontevredenheid, afgunst...) ook naar Chili zijn overgewaaid en de kerkelijke gezagsdragers meer bezig zijn met een loopgravengevecht tegen echtscheiding, homo’s en contraceptiva en teveel zalvende taal spreken tussen mensenrechtenschenders en slachtoffers.
De VN-conferentie van Durban in september 2001 over racisme en intolerantie eindigde chaotisch, maar in de slotverklaring staan toch de Europese verontschuldigingen voor het verleden van slavernij en kolonialisme. In Chili bleef, mede door de geïsoleerde ligging, het aantal uit Afrika geïmporteerde slaven beperkt tot naar schatting 20 000 en deze gingen geleidelijk op in de rest van de bevolking, zodat het huidige Chili, evenals Uruguay en Argentinië, geen noemenswaardige zwarte cultuur kent.
Maar in Latijns Amerika en ook in Chili telt het koloniaal verleden van Spanje en eveneens van Europa vele zwarte bladzijden. Indianen werden als wilden zonder geloof en cultuur beschouwd. Zelfs vandaag nog zijn de Indianen in de ogen van de meeste Chilenen minderwaardig, alhoewel 70% van de Chilenen mestiezen zijn, van gemengde Europese-Indiaanse afkomst. De jongste jaren groeit echter in Europa een schuldgevoelen, zodat het jaar 1992, 500 jaar na de ontdekking van Amerika, geen echte reden was om te vieren. De paus zei toen wel dat de Kerk immer aan de zijde van de Indianen heeft gestaan en ze recht hebben op een menswaardig leven en een eigen cultuur, maar ging niet in op hun bloedoffers ingevolge de kolonisatie. Anderzijds onderstreepte de paus uitdrukkelijk de offerbereidheid van de missionarissen en dat Latijns Amerika het geschenk van het evangelie heeft levendig gehouden. De evangelische kerken daarentegen bestempelden de zogenaamde ontdekking van Amerika als een invasie en een wilde verovering met uitroeiing van inheemse volkeren en culturen, de grootste volkerenmoord uit de geschiedenis van de mensheid. Bovendien stelt men vandaag vragen over het ‘katholiek universalisme’, dat met het middeleeuwse ‘extra ecclesiam nulla salus’ (buiten de kerk geen heil) anderen tot het ‘geluk’ moest brengen, zo nodig met geweld, naar het voorbeeld van de reconquista in Spanje in de 15de eeuw, toen Moren en Joden werden vervolgd. Toch mag de roepstem niet verzwegen worden van Bartholomé de las Casas in de 16de eeuw en van zovele missionarissen, die in de bres zijn gesprongen voor de Indianen en de mistoestanden hard hebben aangeklaagd. Speciale vermelding verdienen ook de inspanningen van de Jezuïeten (tot hun uitdrijving uit Latijns Amerika in 1767), die in Chili de Indianen hebben geholpen om betere landbouwmethoden (o.a. irrigatie) toe te passen. Plaatselijk werd er voorzeker heel veel gedaan voor het overleven van de bedreigde Indianen. Maar is men met hen echt in dialoog getreden en heeft men in hun geloof en cultuur sporen van Gods werkzaamheid erkend? Het is een feit dat de officiële kerk te veel de kaart heeft gespeeld van de aristocratie en de koloniale machthebbers, voor wie God en goud (zie de overdadige versieringen in Spaanse kerken) onafscheidelijk samen gingen.
Tot vandaag worden grondstoffen tegen lage prijzen uit Latijns Amerika en ook uit Chili gehaald, die de basis vormen van de westerse rijkdom. De impact van de Kerk tijdens de dictatuur van Pinochet was aanvankelijk ook dubbel. Officieel steunde ze de militaire junta, terwijl de lagere geestelijkheid en vele gelovigen een sleutelrol speelden in het verzet vanaf het eerste uur. Na enkele jaren stelde ook de kerkelijke overheid de voortdurende schendingen van de mensenrechten aan de kaak en documenteerde het Vicariaat voor de Solidariteit de vele misdaden tegen burgers. En toen in 1984 Pinochet aan de paus vroeg om zelf de bisschoppen te mogen kiezen, werd dat categoriek geweigerd.
|
|
|
4. Indianen van Noord-Chili
Omwille van de geïsoleerde ligging was Chili een van de laatste gebieden van Amerika, die door mensen bereikt werden. Toch dateren de oudste archeologische vondsten in Noord-Chili al van circa 14 000 jaar geleden. Geleidelijk zijn de jagers en de nomadische jagers overgegaan tot kleine permanente nederzettingen langs de kust (vissers), in daloasen en op de hoogvlakten. In Midden-Amerika en tot in Peru hadden zich ondertussen al grote indiaanse beschavingen ontwikkeld, zoals de Maya’s, de Azteken en de Inca’s. In het midden van de 15de eeuw kenden de Inca’s hun hoogtepunt en enkele generaties voordat de Spanjaarden arriveerden veroverden ze de noordelijke helft van Chili, dat ze ‘land aan het einde’ noemden. Vanuit Peru waren de Inca’s doorheen de Atacamawoestijn getrokken tot het vruchtbare centrum van Chili, maar het lukte hen niet verder zuidwaarts door te dringen in de bosrijke gebieden van de krijgshaftige Mapuches-Indianen. Hun belangrijkste prestatie was de aanleg van de ‘Incaweg’, een drie meter breed pad, met er langsheen militaire posten, dwars door de woestijn tot in Midden-Chili. Ze stichtten landbouwgemeenschappen, pasten betere landbouwmethoden (o.a. irrigatie) toe en verbouwden nieuwe gewassen.
De ‘Changos-indianen’ leefden langs de kusten van het Kleine en Grote Noorden van Chili. Ze zeilden op vlotten en vingen vis, jaagden op zeeleeuwen en vervoerden gedroogde vis landinwaarts als ruilhandel met de oase-indianen. De Changos wisten te overleven tot het einde van de 19de eeuw, toen ze door de nieuwe mijn- en havenactiviteiten werden ontheemd en opgeslorpt.
Vissers en nomadische jagers waren de eerste bewoners van Chili. Wanneer de akkerbewerkende volksstammen in Noord-Chili zijn toegekomen is niet met zekerheid gekend. Zij kwamen uit Peru en Bolivia en kozen geschikte plaatsen uit, vooral de daloasen en de oasen aan de voet van het hooggebergte. Lange tijd werden ze met de verzamelnaam ‘Atacameños’ genoemd, maar de noordelijke cultuurstammen verschilden nog erg van elkaar.
De ‘Atacameños-indianen’ die tot de ‘San Pedro Cultuur’ behoren zijn het best gekend, dank zij het grondig onderzoek van de Belgische Jezuïet ‘Gustave Le Paige’, die in 1955 in ‘San Pedro de Atacama’ pastoor werd. Het grotere dorp San Pedro is nog steeds het centrum van een oase en ligt op 2450m hoogte tussen de indrukwekkende zoutcordillera en de hoge Andescordillera met de besneeuwde vulkaankegels. Aan de zuidkant van San Pedro ligt een uitgestrekte zoutvlakte (‘Salar de Atacama’) met de adembenemende maanvallei, waarin het oasewater uitsterft. Het huidige San Pedro werd in 1540 door Valdivia gesticht (zijn wooonhuis staat er nog) en telt nu een duizendtal inwoners, die in grote mate van het toerisme leven. De kerk werd in 1641 gebouwd en is een van de mooiste en grootste van de koloniale tijd. In de nabijheid van San Pedro liggen de ruïnes van de ‘Pucara de Quitor’, een versterkt centrum van de Atacameños en een steunpunt op de Incaweg. Het werd in 1540 verwoest door de Spaanse conquistadores die uit waren op voedselvoorraden, maar niet minder dan 4000 indianen vermoorden. De Atacameños leefden toen van de geïrrigeerde landbouwproducten, vooral maïs (het heilige gewas), aardappelen, bonen, katoen, tabak... De wol voor het spinnen en weven kwam van de lamas en alpacas. Over hun godsdienst is weinig bekend. Ze vereerden de hoge vulkaanbergen en hun offers en riten hadden betrekking op het afsmeken van en het danken voor goede oogsten. Ze begroeven hun doden op de besneeuwde hellingen van de heilige vulkanen. Zo vond pater Le Paige verschillende in ijs geconserveerde mummies, waarvan de wereldberoemde ‘Miss Chili’ te zien is in het nieuwe mooie museum van San Pedro, gebouwd door de ‘Universidad católica del Norte’.
Ook honderden andere belangrijke archeologische vondsten, vooral die van pater Le Paige, zijn in het museum van San Pedro ten toongesteld en geven een duidelijk overzicht van de precolumbiaanse culturen tot 15 000 jaar geleden. Inzake akkerbouw, weeftechnieken en pottenbakkerij hadden de Atacameños een hoog niveau bereikt, maar toch leefden ze als ‘t ware nog in het Steentijdperk. Ze hadden gouden sieraden en enkele koperen gebruiksvoorwerpen, maar hun messen en pijlpunten waren uit steen (veelal obsidiaan). Uit die tijd stammen ook heel wat ‘geoglyfen’, reusachtige rotstekeningen op de bergflanken, die vermoedelijk verband hielden met de cultus of als richtpunten dienden voor de karavanen.
Door de Inca’s en daarna ook door de Spanjaarden is de Atacameños-Cultuur ten onder gegaan. En in de 19de eeuw weken de meeste Atacameños uit naar de steden en mijncentra. Vele huizen en zelfs ganse dorpen werden verlaten. Volgens de volkstelling van 1992 rekenden nog 3500 Chilenen zich tot de Atacameños, alhoewel de archeologen menen dat er geen raszuivere Atacameños-indianen meer zijn.
Daarentegen leven er nog ongeveer 20 000 hoogland-indianen (‘Aymaras’), die zich in het Grote Noorden nabij de grens met Bolivia, op de altiplanos (hoogvlakten rond 4000m, waarboven de witte vulkaankoppen uitsteken) hebben kunnen handhaven. Ze hebben tot vandaag hun traditioneel bestaan kunnen voortzetten op de hoogvlakten, waaraan de Spanjaarden niet geïnteresseerd waren. Ze leven er vooral van hun kudden lamas en alpacas, waarvan ze wol en vlees hebben. De kleurrijke wollen weefsels zijn erg in trek bij de toeristen. De Aymaras leiden een moeilijk bestaan. Ze hebben een groter hart en veel meer rode bloedlichaampjes omdat ze in de loop van de eeuwen zich hebben aangepast aan de ijle lucht en de kou. Ze hebben nog een eigen taal, kleding, traditionale gebruiken en een diep respect voor de krachten van de natuur. Oude tradities zijn ingepast in katholieke geloofsuitingen en religieuze feesten vertonen rituelen in verband met akkerbouw en veeteelt. In de kleine dorpjes staan niettemin vele woningen leeg en vele akkers in de omgeving liggen er verlaten bij, wat er op wijst dat ook de Aymaras het moeilijk krijgen om te overleven. In het dorpje Parinacota dat ik bezocht wonen nog zes families en in het schooltje krijgen alle twaalf leerlingen samen les in eenzelfde klaslokaal.
|
|
|
5. Araucanía met de Mapuches-indianen en het Merengebied
Tussen 37 en 41° zuiderbreedte strekken zich Araucanía en het Merengebied uit over een 500 km lange zone. Araucanía is het gebied ten zuiden van de Rio Biobio tot in de omgeving van Temuco en het vormt het begin van het gematigde zuiden met dichte bossen in scherp contrast met de droge boomloze gebieden ten noorden ervan. Bij de komst van de Spanjaarden woonden er waarschijnlijk een half miljoen indianen, verdeeld over een zestal volkeren, waarvan de Mapuches de belangrijkste en machtigste groep waren. Ze leefden over het gebied verspreid in kleine nederzettingen van hooguit een paar honderd mensen, zonder centrale organisatie en gezag. Dat was wellicht de hoofdreden waarom de Inca’s en ook de Spanjaarden Araucanía niet konden veroveren. Er was geen hoofdstad in te nemen, er waren geen steden te verwoesten, noch een hoofdman om gevangen te nemen en alzo de weerstand te breken. Het was hier ook dat de eerste Spaanse veroveraar Pedro de Valdivia in 1554 werd vermoord. Bijna een eeuw later, in 1641, moest Spanje het Mapuchegebied als een vrije onafhankelijke staat ‘Araucanía ‘ (ook ‘La Frontera’ genoemd) erkennen. Ten zuiden van de Rio Biobio bleven alleen de stad Valdivia en het grote eiland Chiloé Spaans. Van de Spanjaarden hadden de Mapuches wel inmiddels de tarweteelt overgenomen en het benutten van dieren (paarden, runderen, schapen).
Het onafhankelijk geworden Chili (1818) erkende echter niet langer Araucanía als een onafhankelijke staat. Chileense kolonisten begonnen door te dringen en zich te vestigen in het Mapuchesgebied door omkoperij of door het verdrijven van de bevolking. Uiteindelijk werden de Mapuches in 1883 bloedig en definitief verslagen na drie eeuwen weerstand. De Mapuches werden teruggedreven in reservaten (‘reducciones’), in een gebied tussen de zee en Temuco, waarbij ze per familie slechts een vijftal ha kregen toegewezen, terwijl de kolonisten tot 500 ha betere gronden bekwamen. Momenteel wordt het aantal Mapuches (inclusief de aanverwante stammen) geschat op 700 000 en vormen meer dan 90% van de Indiaanse bevolking in Chili. De meeste Mapuches zijn herders en landbouwers, maar door overbeweiding en bodemuitputting is bodemerosie een groot probleem en kunnen ze op de kleine bedrijfjes moeilijk overleven. Jongeren en landlozen zijn al massaal weggetrokken op zoek naar een beter bestaan. Met hun kleine bedrijfjes kunnen de Mapuches nauwelijks overleven.
In de 20ste eeuw groeide er opnieuw een zelfbewustzijn onder de Mapuches en kwamen ze op voor hun landrechten en eigen cultuur. Door de regering Allende (1970-1973) werden de Mapuches in hun streven gesteund ter verbetering van hun bestaan, o.a. door het bekomen van meer grond. Maar onder Pinochet werden vele van hun gronden onteigend om ruimere gebieden indianenvrij te maken. Zelfs ganse reservaten moesten verdwijnen en weerspannige Mapuches werden verbannen, gevangen gezet en zelfs vermoord. Sinds 1990 worden de rechten van de inheemse bevolking weer erkend en maken Mapuches opnieuw aanspraak op het land dat vele eeuwen van hen was geweest. Hier en daar zijn al stukken grond teruggegeven. Mapuches-gemeenschappen trachten nu hun traditie in ere te houden en zo hun cultuur beter te bewaren. Ze houden aan hun specifieke gebruiksvoorwerpen, kleding, sieraden en zijn artisanaal actief, wat in grotere dorpen en in Temuco grote economische en toeristische waarde krijgt. Dat neemt niet weg dat vele Mapuches opgegaan zijn in de gewone Chileense samenleving.
Nadat de Mapuches in 1883 verslagen waren en in reservaten waren teruggedreven en toen de op Peru en Bolivia veroverde salpetergebieden Chili financieel sterk maakten, begon de Chileense overheid ook met het systematisch koloniseren van meer zuidelijke gebieden, namelijk het Merengebied. Vanaf dat Chili zich in 1818 had los gewerkt van Spanje; waren al immigranten uit andere Europese landen begonnen met zich in Chili te vestigen. Vanaf het midden van de 19de eeuw trokken vooral Duitsers naar gebieden bezuiden de Mapuches, namelijk in het Kleine Zuiden tussen Valdivia en Puerto Montt, waar ook het mooi Merengebied (ontstaan achter eindmorenes van teruggetrokken gletsjers) is gelegen. Het sterk beboste Kleine Zuiden werd zo uit het isolement gehaald. Grote gebieden werden na 1883 ontbost en systematisch gekoloniseerd en tot goede landbouwgebieden omgevormd. Ook ambachten, industrie en stedelijke activiteiten kwamen er onder stimulans van de Duitsers tot ontplooiing. Valdivia werd bij deze nieuwe kolonisatie het uitgangspunt. Stad en haven bereikten een hoogtepunt in het begin van de 20ste eeuw, totdat de opening van het Panamakanaal die economische en strategische betekenis wurgde.
De kolonisten kwamen uit overbevolkte landelijke gebieden van Europa. Ganse families, dikwijls met hun pastoor of dominee, kwamen zo uit Duitsland over en zorgden voor Duitse gemeenschappen, die nog tot vandaag hun taal hebben behouden. De overtocht duurde maanden en eenmaal aan land moesten ze nog weken met ossenkarren door het moeilijk toegankelijke bosgebied trekken naar hun eindbestemming. Per kolonist werden 40 ha toegewezen met nog eens 20 ha extra voor elke zoon ouder dan 10 jaar. Ze kregen wel financiële overheidssteun tot aan de eerste oogsten. Sommigen wisten het tot grootgrondbezitters te brengen, maar werden bij de agrarische hervorming tijdens de regering van Allende (1970-1973) grotendeels onteigend. Tijdens de dictatuur van Pinochet konden ze belangrijke stukken terug krijgen of kopen bij de reprivatisering.
De gespreide inplanting van zulke grotere hoeven houdt nogal wat nadelen in, inzake verkeersinfrastructuur en sociale voorzieningen (scholen met internaat, winkels, medische verzorging, kerken voor protestanten en katholieken...). Langs het grote meer ‘Llanquihue’ bezocht ik een Duitse boerderij, alsook het Duitse dorp ‘Frutilar’ met Lutherse en katholieke kerken, met een mooi openluchtmuseum (oude boerderijen, maalderij...) en een monument met de namen er op van de Duitse families die immigreerden tussen 1852 en 1952.
|
|
|
6. Indianen van Patagonië-Vuurland
Het zuidelijke deel van Argentinië-Chili kreeg de naam ‘Patagonië’ door Fernao Magalhaes, die dit deel van de wereld in 1520 als eerste Europeaan verkende. Hij noemde de eerste indianen die hij zag ‘Patagones’ (grootvoetigen in het Portugees), omdat hun voetafdrukken in het zand enorm groot waren ten gevolge van omzwachteling van hun voeten met dierenhuiden om zich te beschermen tegen koude en vochtigheid. En omwille van de Indiaanse kampvuren die hij zag, kreeg het uiterste zuiden de naam ‘Tierra del fuego’ (Vuurland).
Chileens Patagonië komt overeen met de streek die het ‘Grote Zuiden’ wordt genoemd en bijna 1500 km noord-zuid is uitgestrekt. Het Andesgebergte grenst hier direct aan de Stille Oceaan met diepe fjorden en een eilandenarchipel. Tijdens de ijstijden was dit hele gebied met ijs en gletsjers bedekt. Maar ook nu nog beslaan de ijsvelden een oppervlakte gelijk aan de helft van België en dalen vele gletsjers af tot in zee, waar ze spectaculair afbrokkelen met adembenemende blauwe ijskliffen en ijsbergen en waar de toeristenboten rakelings langs varen. Boven dit feërieke schouwspel tronen nunataks, veelkleurige bergtoppen, die boven het ijsgebied uitsteken. Dit natuurpark ‘Torres del Paine’ kan terecht tot de meest indrukwekkende natuurwonderen gerekend worden. Toch begon de echte verkenning van die ijsvelden slechts nadat Scott en Amundsen al de zuidpool bereikt hadden. Een eerste expeditie-poging dateert van 1914, terwijl de belangrijkste wetenschappelijke expeditie met pater de Agostini in 1930 plaats vond en de west-oost overtocht slechts in 1960 werd gerealiseerd.
Door die uitgestrekte ijsvelden en het onherbergzame gebergte is Chileens Patagonië-Vuurland niet langs de weg met de rest van Chili verbonden en slechts te bereiken met het vliegtuig, de boot of via de weg langs het aangrenzende Argentinië. De sterke en dikwijls stormachtige westenwinden met zeer veel neerslag betekenen bovendien een grote handicap voor het westelijk deel. Eenmaal over de Andes zijn ze echter uitgeregend, zodat aan de oostkant uitgestrekte droge Patagonische steppen voorkomen, die voor het grootste deel tot Argentinië behoren. Het zuiden van Chili heeft derhalve een van de scherpste klimaatgrenzen op aarde, namelijk van extreem nat (tot 5 meter neerslag) in het westen naar een halfwoestijn (250 mm neerslag) met dwergstruiken en gras in het oosten.
De straat van Magalhaes hoort volledig tot Chili en aan de noordelijke oever ligt Punta Arenas, de hoofdplaats van Chileens Patagonië. De stad telt 120 000 inwoners, is kleurrijk en zeer levendig, gesitueerd aan de overgang van bos naar steppe en is ook de toegangspoort voor de eilandenarchipel van Vuurland. Punta Arenas werd in het midden van de 19de eeuw gesticht ter voorziening van de voorbijvarende schepen. Zeilschepen hadden het zeer lastig om tegen die sterke westenwinden in te varen, maar eenmaal stoomschepen ingezet konden worden en steenkool in de buurt werd gevonden, nam de betekenis van Punta Arenas sterk toe en bereikte een bloeiperiode in het begin van de 20ste eeuw, totdat het Panamakanaal in 1914 in gebruik kwam. Het aantal voorbijvarende schepen is dus erg afgenomen en bovendien verkiezen de schepen de nog meer zuidelijk maar gemakkelijkere vaarweg (Beagle-kanaal), dat deels in Argentinië, deels in Chili gelegen is. Langs deze doorgang ligt het Argentijnse Ushuaia, de meest zuidelijke stad van de aarde met 40 000 inwoners, alsook het Chileens Puerto Williams, het meest zuidelijke dorp met 1500 inwoners. In Punta Arenas hebben de paters Salesianen, naast missionering, ook veel wetenschappelijk onderzoek gedaan over het leefgebied, de geschiedenis, de cultuur en de godsdienst van de Patagonische indianen. De resultaten ervan hebben indrukwekkende collecties opgeleverd, die tentoongesteld zijn in het museum dat de paters in 1893 hebben ingericht.
In de onherbergzame en barre streken van Patagonië leefden al vanaf 7500 v.Chr. indianen. Ten tijde van Magalhaes zouden die behoord hebben tot vier verschillende volkeren, waarvan de ‘Tehuelches’ en de ‘Alcalufes’ de bijzonderste waren. De laatsten waren land-georiënteerde indianen, die in de drogere oostelijke gebieden leefden van jacht op guanacos (behorende tot de lamafamilie) en nandus (struisvogelachtigen) met lans, pijl en boog. De eerstgenoemde groep indianen woonde in Vuurland en in het westen van Patagonië en waren zee-georiënteerde indianen, die leefden van visvangst; dezen hadden zich aangepast aan de zeer vochtige en stormachtige gebieden, hadden een goede kennis van de natuurlijke omgeving en bezaten een rijke religie en mythologie. Toch dacht men lange tijd dat de Vuurlanders op een zeer laag ontwikkelingspeil stonden en de Europeanen keken met afkeur tegen zulke ‘wilden’ aan. De wereldwijd bekende bioloog Charles Darwin, die op zijn zeilschip ‘Beagle’ een reis rond de wereld maakte schreef in zijn dagboek op 17 december 1832 over de Vuurlanders die hij toen zag : "Ik zou nooit hebben kunnen geloven hoe groot het verschil tussen wilden en beschaafde mensen is; het is groter dan dat tussen wilde dieren en huisdieren". En een gerespecteerd Chileens auteur Augustin Edwards schreef nog in 1924 : "Ze zijn menselijke amfibieën, die nog steeds leven in een staat van volledige degeneratie en primitiviteit; ze hebben zich tot op heden verzet tegen alle pogingen om hen iets te leren en beschaving bij te brengen".
De kleine verspreid wonende groepjes indianen werden nauwelijks beïnvloed door de Spaanse kolonisatie tot het einde van de 19de eeuw, toen de landhonger van de Chilenen en Europeanen ook deze zuidelijke afgelegen gebieden begon aan te tasten. Met geweren werd op de indianen jacht gemaakt om hun land vrij te maken voor kolonisatie. Door de komst van de kolonisten, goudzoekers en schapentelers, werden de indianen van hun jachtgronden beroofd en om te overleven roofden dezen schapen van de kolonisten. Mede om die dieven te bestraffen kregen de kolonisten zelfs een premie voor het inleveren van de oren van een gedode indiaan. Toen bleek dat heel wat levende indianen zonder oren rondliepen, werd de premie slechts gegeven bij het inleveren van een indianenkop. De missionarissen, die zich inspanden om de indianen te redden via reservaten, konden echter de decimering niet tegenhouden wegens Europese ziekten, waartegen indianen niet bestand waren. Begin 20ste eeuw waren de indianen in het zuiden van Chili zo goed als volledig uitgeroeid en verdween ook hun cultuur. Alleen in de meest afgelegen minder interessante gebieden wisten de indianen nog enkele decennia te overleven, maar gingen tenslotte ook aan epidemies en drank ten onder. Waar ten tijde van Darwin er nog 13 000 indianen zouden geweest zijn, waren ze einde 19de eeuw al vervangen door een gelijk aantal blanken.
In 1878 werden de eerste schapen uit de Falkland-eilanden ingevoerd. De droge oostelijke gebieden van Patagonië zijn voor schapenteelt geschikt, te meer daar de schapen het jaar rond buiten kunnen blijven. In Punta Arenas daalt de temperatuur zelden onder nul; de gemiddelde temperatuur van de koudste maand bedraagt er 3° en die van de warmste 11°. De schapen-estancias zijn enorm uitgestrekt. Omwille van de magere grasgroei is er per schaap veel oppervlakte nodig. De laatste decennia zijn de wolprijzen niet zo interessant meer en is de schapenteelt teruggelopen. In 1945 werd er olie en gas ontdekt, deels in het Chileens en deels in het Argentijns gebied, terwijl ook het toerisme toeneemt, zodat er nieuwe werkgelegenheid is gekomen. Ik heb er een familiebedrijf bezocht, een estancia met schapen, guanacos en nandus met een oppervlakte van 3000 ha. Maar vóór de agrarische hervorming waren de meeste bedrijven nog veel groter, vooral de exploitatiemaatschappijen, bv. de ‘Sociedad explotadora de Tierra del Fuego’, die 132 000 ha bezat met ruim 120 000 schapen. Die onderneming is sindsdien opgesplitst en uitgegroeid tot het dorp ‘Cerro Castillo’. Een andere ‘estancia El Paine’, dichter bij het struik-bosgebied, telt met 18 000 ha ruim 1000 runderen; wegens de poemas kunnen hier geen schapen gehouden worden.
|
|
|
7. Dreigende natuurrampen
Ten gevolge van de geografische ligging en de actieve platentektoniek wordt Chili bedreigd door mogelijke natuurrampen, die te maken hebben met de zee, het klimaat, het reliëf en de vulkanen. Hier volgen drie voorbeelden.
7.1. De aardbeving van Valdivia. De vorming van een gebergte is een traagverlopend proces, waarvan tijdens een mensenleven niet zoveel te merken valt. Daarom denken we ons te veel in dat de aardkorst stabiel is en nemen we risico’s, die af en toe catastrofale gevolgen kunnen hebben. De platentektoniek met de over elkaar schuivende aardschollen en de vorming van het Andesgebergte gaan nog steeds door. Recente vulkanische uitbarstingen zijn daarvan het bewijs, maar ook de grote seismische activiteiten met de altijd weerkerende aardbevingen. De epicentra ervan liggen enkele kilometers diep onder de oppervlakte, daar waar de aardschollen het sterkste botsen. Soms zijn de verplaatsingen van de schollen zelfs aan het aardoppervlak zichtbaar.
In wat volgt breng ik het verhaal van Valdivia, dat wellicht de grootste ooit gemeten aardbeving heeft geïncasseerd. Valdivia met 120 000 inwoners is de belangrijkste stad van het ‘Kleine Zuiden’ en men zegt zelfs de mooiste stad van Chili. Valdivia ligt op 40° zuiderbreedte en wat verscholen in een vruchtbaar bekken, op 15 km van de open oceaan, langs een binnenbocht van de Rio Valdivia. Die plaats was uitermate geschikt als startpunt voor de kolonisatie van het binnenland. De stad werd in 1552 gesticht door Pedro de Valdivia, die er zijn naam aan gaf. De nederzetting kende al vlug een bloei tot de ‘noche triste’ (14 november 1599) toen ze door een indianenopstand volledig werd verwoest. De stad werd verlaten en slechts 50 jaar later opnieuw gesticht. Een echte heropbloei kwam er maar in de tweede helft van de 19de eeuw met de immigratie van initiatiefrijke Duitsers. Door de openng van het Panamakanaal in 1914 verloor de haven haar economisch en strategisch belang.
De zwaarste catastrofe die Valdivia getroffen heeft is de hevige aardbeving van 1960. Catastrofale aardbevingen hebben zich in Chili herhaaldelijk voorgedaan, vooral in de noordelijke regio’s. Zuid-Chili gold echter als aardbeving-vrij. Op 22 mei 1960 zou de regio van Valdivia de hel beleven. Er waren al enkele voorschokken geweest, maar om 15u12 kwam de enorme hoofdschok die 3½ minuten duurde en een hevigheid bereikte van 12 (=maximum) op de schaal van Richter. De grond zakte enkele meter in, huizen, muren, pijpleidingen werden door elkaar geschud, mensen werden over de grond geslingerd. In de volgende dagen en uren werden nog meer dan 50 naschokken gevoeld van minstens 5 op de Richterschaal. De stad Valdivia werd het ergste getroffen. In totaal telde de regio 1000 doden en 50 000 vernielde huizen. De meeste slachtoffers vielen echter ten gevolge van de vloedgolven (‘tsunami’s’), die langs de kust 12 meter hoogte bereikten en langs de Rio Valdivia 25 km diep het binnenland instormden en er schepen en huizen meesleepten, waardoor de stad nog maandenlang van alle spoor- en wegverbindingen afgesneden werd en 15 000 ha weiland definitief verloren gingen. Bergstortingen richten overal grote schade en damden het dal op verschillende plaatsen af. Weken later brak het opgespaarde water er doorheen, wat opnieuw krachtige modderstromen veroorzaakte.
De uitwerking van de vloedgolven bleef niet beperkt tot de Chileense kustgebieden. Vloedgolven verplaatsten zich ook met een snelheid van 800 km per uur over de Pacifische Oceaan en richten nog ernstige schade aan in Hawaï en Japan. Een paar dagen na de hoofdaardbeving brak bovendien de vulkaan Puyehue uit en bedekte de ruime omgeving van de hoge cordillera met een asmantel.
|
|
7.2. Het onweer van Antofagasta. Antofagasta, de parel van Noord-Chili, is met ruim 200 000 inwoners de grootste stad van het droge noorden. De stad ligt op de steenbokskeerkring, waar de zon bij het begin van de zomer loodrecht invalt. Op zulke breedte domineren hoge drukgebieden en daar liggen ook de woestijnen. In Chili is de droogte extreem, versterkt door het kustgebergte en de koude ‘von Humboldtstroom’, die alle zeevochtigheid tegen houden. Het regent er omzeggens nooit of beter gezegd na een eventuele regenbui volgen jaren zonder neerslag. Antofagasta moet zelfs het water halen van de hoge Andes over en afstand van bijna 300 km via pijpleidingen dwars doorheen de Atacamawoestijn.
De stad strekt zich zuid-noord 20 km lang uit over een smal kustplatform dat nauwelijks 1 à 2 km breed is. Overeenkomstig het Spaans koloniaal dambordvormig stratenpatroon lopen de hoofdstraten evenwijdig met de kust en staan de zijstraten er loodrecht op. Enkele ervan zijn in diepe kloofdalen aangelegd en langs de hellingen ervan staan vele krotwoningen uit karton, blik of vlechtmatten. In de tweede helft van de 19de eeuw was Antofagasta de uitvoerhaven van Bolivia (nitraat, zilver), maar de stad werd door Chili veroverd tijdens de salpeteroorlog van 1879-1883. Later zou de haven ook zeer belangrijk worden voor export van koper. Antofagasta werd het economisch centrum van het noorden. Door het wegvallen van de salpetercités en de grote bevolkingsaangroei kreeg de stad een sterke immigratiestroom te verwerken, waarvoor onvoldoende woningen konden gebouwd worden. Spontaan en ordeloos ontstonden concentraties van krotwoningen op de minst interessante plaatsen, op de hellingen boven de stad en langs de kloofddalen, maar toch op een loopafstand van de werkgelegenheid in het stadscentrum.
De catastrofale gevolgen van de hevige neerslag in de nacht van 17-18 juni 1991 vinden in het voorgaande hun oorzaak. Op een paar uur tijd viel er zoveel neerslag als in 10 jaar. Door de langdurige droogte en de verwering ligt er aan de oppervlakte een enkele centimeterdikke laag van los puin, dat bij afstromende neerslag in modderstromen verandert. De bevolking werd in haar slaap verrast, huizen en mensen werden meegesleurd, waarbij 110 mensen omkwamen. Toch hadden geografen al uitvoerig gewaarschuwd voor zulke mogelijke gevaren en bovendien waren de stortregens in het weerbericht aangekondigd. Maar neerslag is er zo uitzonderlijk dat niemand aan die voorspellingen aandacht schonk. Hier is dus de paradox duidelijk dat in de woestijn meer mensen omkomen door verdrinking dan door uitdroging.
|
|
7.3. El Niño en de visvangst . ‘El niño’ (het Spaans voor kind, kerstekind) is de naam die vissers van de westkust van Peru en Chili gaven aan de elk jaar rond kerstmis terugkomende opwarming van het zeewater. Dat betekent een afzwakking van het visbestand, maar in hun herfst neemt dit normalerwijze terug toe. De laatste tijd wordt echter onder ‘el niño’ verstaan de om 5 à 10 jaar voorkomende uitzonderlijke opwarming van het zeewater, die een echte catastrofe betekent voor de visvangst.
Het verdwijnen van de visvoorraden is het gevolg van een wisselwerking tussen de oceaan en de luchtdrukveranderingen. In een normaal jaar heerst er in Noord-Chili en Peru een hoog drukgebied, dat de krachtige passaat opwekt met winden die langs de kust in noord-noordwestelijke richting waaien, aan de evenaar westwaarts ombuigen en in Noord-Australië en Indonesië de zeespiegel doen stijgen en neerslag leveren. De koude zeestroming (‘von Humboldtstroom’) die van zuid naar noord langs de kusten van Chili-Peru voorkomt wordt door die passaat nog versterkt. Het koudere zuurstof- en planctonrijke zeewater vormt er de basis voor een uitermate rijk visbestand, een van de rijkste ter wereld.
In de ‘el niño’-jaren echter wordt het hoog drukgebied erg afgezwakt en is de zuidoost-passaat ook minder krachtig. De koude zeestroming verflauwt, zodat het opgehoopt warm water van Australië-Indonesië oostwaarts gaat vloeien in de richting van de kusten van Chili-Peru. De opwelling van het voedselrijke koude water valt weg en de visbestanden verdwijnen. De visserij kwijnt of valt stil met een economische catastrofe als gevolg. Het is op de eerste plaats de arme bevolking en de 40 000 gewone vissers die daarvan het slachtoffer zijn.
|
|
|
8. De grote natuurlijke rijkdommen
Chili is een van de rijkste grondstoffenlanden ter wereld. Mede daardoor heeft Chili een betere economische situatie dan de overige Latijns-Amerikaanse landen. De export is echter erg onderhevig aan de schommelingen van de wereldmarkt. Hier volgen enkele bedenkingen over die natuurlijke rijkdommen van Chili.
De visserij is in Chili van oudsher zeer belangrijk geweest, dankzij de voedselrijke kustwateren. Chili is de derde wereldproducent van vis, na China en Peru. Chili is zelfs de belangrijkste exporteur van vismeel. Chili telt niet minder dan 40 000 traditionele vissers. Bovendien is er ook moderne visteelt, o.a. het telen van zalm in drijvende kooien in de meren en baaien van het zuiden. Chili is, na Noorwegen, de grootste exporteur van geteelde zalm. Ook inzake fruit (vooral appelen en druiven, maar ook kiwis, citrusvruchten, meloenen, papayas, tomaten...), geteeld in de rivieroasen en in de centrale vallei, is Chili een belangrijke exporteur met 15 % van de wereldmarkt, vooral tijdens de winter van het noordelijk halfrond. De meest spectaculaire expansie kenden echter de wijnboeren. In de jongste jaren hebben ook de grote Europese wijnhuizen in de Chileense wijnbouw geïnvesteerd. Zo is Chili, na Frankrijk en Italië, de derde exporteur van wijnen, vooral naar de USA, maar ook meer en meer naar West-Europa. Franse wijnstokken werden al in de 19de eeuw in Chili aangeplant en inmiddels heeft Chili de wijnkwaliteit sterk weten op te drijven, zodat de Chileense wijnen nu tot de beste van de wereld mogen gerekend worden.
De Guano-meststof van Peru-Chili had op het einde van de 19de en begin 20ste eeuw wereldfaam. Typisch voor de kusten van Noord-Chili en Zuid-Peru zijn de eilandjes en de kliffen, bedekt met een mantel van witte uitwerpselen van guano-vogels (aalschelvers, jan-van-genten en bruine pelikanen). De vogels leven er van de grote visvoorraden, vooral sardines. In de ‘el niño-jaren’, wanneer de voedselketen van het zeewater verstoord is, sterven de vogels massaal af op hun tocht naar het binnenland.
Zo arm als de Atacama-woestijn is aan water en vegetatie, zo rijk is ze aan bodemschatten. Chili-salpeter werd al in het begin van de 19de eeuw ontgonnen, maar werd vooral einde 19de en begin 20ste eeuw wereldberoemd, mede dank zij Europese en Amerikaanse investeringen in de mijnbouw. Het gaat om een natuurlijke nitraat- of salpetermeststof, die uniek in de wereld in dunne pakketten (enkele decimeter dik) aan de oppervlakte voorkomt langsheen de oostelijke rand van het kustgebergte in de Atacama-woestijn. Deze grondstof is over een groot gebied ontstaan door miljoenen jaren uitdamping van Andeswater tot zoutpannen. De grondstof is niet alleen belangrijk als meststof in de landbouw, maar wordt tevens aangewend bij het aanmaken van springstoffen. In de salpeteroorlog van 1879-1883 veroverde Chili de salpetergronden van Peru en Bolivia en kreeg daardoor het wereldmonopolie, met Antofagasta als uitvoerhaven (deze behoorde vroeger tot Bolivia). Grote gebieden van de Atacama-woestijn werden omgewoeld en afgegraven. De grondstof werd in 170 nitraatfabrieken gezuiverd en geconcentreerd van 6% gehalte tot 95 à 99 %. Bij de fabrieken werden ook cités gebouwd, te vergelijken met die van de Limburgse steenkoolmijnen, maar nu in de woestijn. Het ‘Grote Noorden’ van Chili telde voorheen slechts enkele duizenden woestijnbewoners, maar groeide door de salpeterboom tot meer dan 250 000 ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Toen in Duitsland kunstmatig ammoniak kon vervaardigd worden, betekende dat de doodsteek voor de Chili-salpeter. De afzet verschrompelde, de fabrieken gingen dicht en de cités werden spooksteden. Een korte heropleving rond de Tweede Wereldoorlog kon de sector niet meer redden. Ik heb de ‘oficina Chacabuco’ bezocht, een van de laatst gebouwde salpetercités, een spookstad met ruïnes van verlaten wooncomplexen, casino, theater, fabriek enz., dat nu het statuut van nationaal monument heeft gekregen, maar tijdens het militaire regime van Pinochet een gevangenis was voor ruim 3000 politieke gevangenen.
Zilver en goud vormden aanvankelijk een belangrijk kolonisatiemotief. In Chili werd hier en daar edelmetaal gevonden, maar het zal vooral kopererts zijn dat de Chileense mijnbouw en de hele Chileense economie gaat domineren. De export van koper is die van nitraat opgevolgd en groeide na de Tweede Wereldooorlog uit tot veruit de belangrijkste bron van inkomsten voor Chili. De mijnen werden onder Allende genationaliseerd tot de CODELCO-staatsonderneming en ze bleven dat ook onder Pinochet, maar toch sterk ondersteund door buitenlands kapitaal. De enorme voorraden erts, de geringere milieu-eisen en de lage arbeidskosten geven het Chileens kopererts een onaantastbare eerste positie op de wereldmarkt, zelfs meestal sterker dan die van de USA.
De ontginning van kopererts gebeurt vooral in drie mijnen. Op een 16 km ten noorden van de oasestad Calama, op een hoogte van 3000 m in de Atacama-woestijn, bevindt zich de enorme open luchtmijn van Chuquicamata, de grootste mijn van de wereld. De put heeft reuzenafmetingen, 5 op 3 km, en is 660 meter diep; men zal nog verder uitdiepen tot 1100 meter. Rond de mijn ligt een grote cité van 25 000 bewoners voor de 8000 werknemers en hun families, met alle mogelijke voorzieningen, wat in deze woestijn indruk maakt. Kolossale vrachtwagens, met banden van vier meter doormeter en een draagvermogen rond de 200 ton, brengen het niet bruikbare gesteente naar boven voor de reusachtige storthopen. Enorme hoeveelheden elektriciteit zijn er nodig, geleverd via een eigen elektriciteitscentrale, terwijl al het water aangevoerd wordt via pijpleidingen over ruim 100 kilometer.
Rijke koperertsaders waren al in de precolumbiaanse tijd gekend en benut door de indianen, maar de grootscheepse ontginning van de magere ertsen (1 à 1,5 % kopergehalte) startte slechts in het begin van de 20ste eeuw, dank zij de mechanisatie. Het ontstaan van kopererts is vrij ingewikkeld, maar heeft hoofdzakelijk te maken met koperaanrijking via hydrothermale oplossingen van intrusiegesteenten, die met het vulkanisme en de tektonische storingen tot stand zijn gekomen.
Een eerste concentratie van het kopererts tot nagenoeg 30 % gebeurt al beneden in de open luchtmijn. Dat aangerijkt erts wordt dan in de elektrolysefabriek gezuiverd tot 99% en klaar gemaakt voor de uitvoer, o.a. naar Olen in België, voor raffinage tot zuiver koper. Zilver, goud en zwavel zijn de belangrijkste nevenproducten.
In het noordelijk kustgebergte beschikt Chili ook over grote reserves hoogwaardig ijzererts en het land heeft een niet onbelangrijke productie, waarvan het overgroot deel wordt uitgevoerd. Het belang ervan blijft echter sterk in de schaduw van het kopererts.
Tenslotte mag nog de recente winning van lithium vermeld worden, omdat het hier gaat om het lichtste metaal met belangrijke high-tec-toepassingen. De voorraden in de grote zoutwoestijn van San Pedro aan de voet van de hoge cordillera zouden de helft van de wereldreserve betekenen. Lithiumcarbonaat wordt vooral aangewend bij de aluminiumproductie als energiebesparing, maar ook bij de glas- en keramiekproductie.. De uitvoer gaat eveneens via de haven van Antofagasta, waarmee Chili reeds tot de belangrijkste wereldexporteurs behoort.
|
|
|
9. Chili’s boegbeelden Allende en Pinochet
Evenals de overige Zuid-Amerikaanse landen heeft Chili zich kunnen losmaken van Spanje. O’Higgins, van Ierse afkomst, leidde de opstand tegen de royalisten en werd in 1818 de eerste president van het onafhankelijke Chili. De grootgrondbezitters wisten echter nog decennia hun stempel te drukken op de binnenlandse politiek, terwijl de buitenlandse investeringen, vooral van Groot-Brittannië (salpeter in het noorden) en van Duitsland (in Zuid-Chili) de onafhankelijkheid ondermijnden. De Duitse invloed mag niet onderschat worden. Zo werden leger en politie naar Duits model georganiseerd en kreeg het nationaal socialisme er voet aan de grond. In 1884 werd het algemeen kiesrecht ingevoerd, als eerste Latijns-Ameriaakns land en wordt een parlement gevormd. Chili ontpopt zich als een toonbeeld van democratie met kiesrecht, onderwijs, sociale voorzieningen, vakbeweging enz. De export spitst zich toe tot een enkele grondstof. Weliswaar wordt nitraat opgevolgd door koper en wordt de Engelse invloed vervangen door die van de USA, maar een groot deel van de opbrengsten blijven daardoor naar het buitenland afvloeien. Conservatieve partijen domineren en zijn geleid door grootgrondbezitters, bankiers en industriëlen, terwijl de ongelijkheid bij de bevolking alsmaar toeneemt. De grote groepen arbeiders in de mijnen van het noorden, in de havens, op de grote boerderijen, bij het spoor en in de industrie rond Santiago worden onrustig en hier en daar breken al ernstige conflicten uit met gewelddaden en dodelijke slachtoffers. Zo begrijpt men de opkomst in het begin van de jaren twintig van vorige eeuw van socialistische en communistische partijen, met groeiende spanningen tussen conservatieven en linkse radicalen.
Ten tijde van de wereldcrisis van de jaren dertig en de Tweede Wereldoorlog werden wisselend conservatieve en hervormingsgezinde presidenten gekozen, afgezet en herkozen zonder dat de echte problemen opgelost geraakten. In 1949 kregen ook vrouwen stemrecht, terwijl de grote bevolkingstoename in de steden terecht kwam met ernstige problemen inzake woon- en werkmogelijkheden. Vele Chilenen hoopten op een nieuwe samenleving als een derde weg tussen ‘de reactionairen zonder geweten’ en de ‘revolutionairen zonder hersens’, belichaamd door een nieuwe partij, de christen-democraten, die in 1964 de president Eduardo Frei leverden. Hij beloofde een ‘revolutie in vrijheid’ en stond een ingrijpende landhervorming voor met onteigening van landgoederen groter dan tachtig hectaren, te betalen door meer controle op de koperindustrie, die grotendeels in handen was van Amerikaanse bedrijven. Ook socialisten en communisten zagen in de hervorming van Frei’s regering de eerste stappen naar een nieuwe Chileense samenleving, maar de rechtse partijen veroordeelden ze. Alle linkse partijen met inbegrip van de linkse christen-democratische bewegingen schoven onder de vlag van ‘Unidad Popular’ (volksfront) de marxistisch georiënteerde Salvator Allende Gossens naar voor als presidentskandidaat. Deze won zeer nipt de verkiezingen van 1970. Allende had geneeskunde gestudeerd in Santiago en was een van de leiders van de studentenprotesten en medeoprichter van de ’Partido Socialista’. Hij oefende zijn praktijk als geneesheer uit in arbeidersmiddens, waar hij geconfronteerd werd met de onmenselijke werk- en woonomstandigheden, die oorzaak waren van geestelijke en lichamelijke ziekten. Sociaal gedreven, werd hij daardoor ook politiek actief. Hij verloor wel tot driemaal toe de presidentsverkiezingen, maar in 1970 lukte het.
Alhoewel het volksfront geen meerderheid had in het congres en de senaat, zette de regering van Allende een radicaal hervormingsprogramma op, ten gunste van de armere bevolkingsgroepen. Sociale voorzieningen kregen meer geld, de landhervorming werd nog radicaler doorgevoerd en belangrijke industriële bedrijven en banken werden genationaliseerd. Over de snelheid waarmee die veranderingen moesten doorgevoerd worden was men in de coalitieregering verdeeld en sommige maatregelen (o.a. invoeren van een ‘nationale eenheidsschool’) kregen hevige tegenwind. De hervormingen remden ook het goed functioneren af van industrie en landbouw. Amerikaanse invloed, het leger en de elite poogden bovendien de volksfrontregering te destabiliseren. Niettemin won Allende, dank zij de steun van het gewone volk, opnieuw de verkiezingen van 1973.
De kansen van rechts om Allende op legale manier op zij te zetten waren toen verkeken. Om het opstandige leger in handen te houden werd generaal Augusto Pinochet Ugarte op 23 augustus 1973 minister van defensie in de regering van Allende. Maar Pinochet pleegde al enkele dagen later, op 11 september 1973, samen met legeraanvoerders en gesteund door CIA en USA, een verregaande staatsgreep. Het moneda-paleis werd gebombardeerd en president Allende vond daarbij de dood. In een laatste radioboodschap had hij nog zijn hoop voor Chili’s toekomst uitgesproken : "Lang leve Chili, lang leve het volk, lang leve de arbeiders. Dit zijn mijn laatste woorden, maar ik ben er zeker van dat mijn opoffering niet voor niets is geweest...". Zijn standbeeld staat nu op het plein vóór het heropgebouwde moneda-paleis.
Een paar honderd mensen vonden de dood in de coup van die zwarte 11de september, wat doet denken aan 11 september 2001 met de aanslag op het WTC van New York. Duizenden mensen zijn omgekomen tijdens de harde depressie die er op volgde. De meeste slachtoffers waren leden van de socialistische en communistische partij of van radicale linkse groepen, vakbonden, studenten- en arbeidersverenigingen. Ook werd de havenstad Taltal ten zuiden van Antofagasta verwoest door de militaire junta, omdat deze ‘rode stad’ gebruikt zou kunnen worden voor wapeninvoer vanuit socialistische landen ter ondersteuning van marxistische contrarevolutionairen in Chili. Het Chileense leger liet ook veel mensen eenvoudigweg ‘verdwijnen’. Zelfs een geheime politiemacht werd opgezet om de onderdrukking uit te voeren zowel buiten als binnen Chili.
De Chileense samenleving werd uiteengerukt. Duizenden verloren hun baan omdat ze het vorige regime gesteund hadden. Duizenden gingen in ballingschap of emigreerden uit schrik. De hele situatie was te vergelijken met wat er gebeurde na de Spaanse burgeroorlog. In Chili werden alle politieke en vakbondsactiviteiten verboden. De media, de fabrieken en universiteiten werden onder controle gebracht. Generaal Pinochet werd spoedig de ongenaakbare leider, de dictator die met ijzeren hand 17 jaar lang Chili bestuurde en pochte zelfs "er is geen blad dat ritselt zonder dat ik het weet".
Pinochet, een devote katholiek, verwachtte van de Kerk dat ze zijn acties zou ondersteunen, die in zijn ogen de verdediging betekenden van westerse, christelijke waarden tegen het communisme. De meeste bisschoppen deelden dat gezichtspunt, maar de kardinaal-aartsbisschop Silva Henriquez van Santiago nam een genuanceerd standpunt in en hij stichtte een ‘vredescomité’ om gerechtelijke hulp te verstrekken aan de slachtoffers van de onderdrukking. Dat werd door de militairen verboden, maar het ‘vicariaat van de solidariteit’ bleef clandestien met vrijwilligers verder hulp bieden en lijsten aanleggen van schendingen van mensenrechten. Vele gewone priesters bleven ook doorgaan met hun werk bij de lagere bevolkingsklassen in de krottenwijken en bij de indianen, en sommigen van hen betaalden het met hun leven.
Na drie jaar volksfrontregering van Allende lag Chili’s economie in duigen : een geweldig begrotingstekort, een ongehoorde inflatie, gebrek aan alledaagse goederen, grote werkloosheid, bedrijven die verlies leden... De ‘Chicago-boys’ (economen in Chicago geschoold) drongen aan op radicale neoliberale hervormingen door de rol van de staat in de economie terug te dringen, het opnieuw privatiseren en het openstellen van de economie voor de wereldmarkt. Dit economisch model kende succes, zelfs terwijl de westerse wereld belandde in de grote (olie) crisis na de ‘golden sixties’.
Pinochet liet een nieuwe grondwet opstellen, die door twee derden van de Chilenen bij referendum werd goedgekeurd. Deze voorzag in een achtjarige ambtstermijn van de president met inperking van de macht van de politieke partijen. Uiteraard werd Pinochet zelf de president voor de jaren 1981-1989. Daarna zou er een referendum volgen waarbij de Chilenen zich zouden kunnen uitspreken voor een eventuele nieuwe termijn of voor presidentiële verkiezingen. Al na een paar jaar nieuwe grondwet nam de frustratie toe, verzwakte de economie, groeiden de protesten en stelde ook de katholieke kerk zich kritischer op. Ook buiten Chili kwam het schrikbewind van Pinochet onder hevig vuur te liggen. Het referendum leverde 54 % neen-stemmen zodat er verkiezingen werden uitgeschreven, die door de verenigde oppositiepartijen werden gewonnen en in december 1989 werd de christen-democratische leider Aylwin de nieuwe president.
|
|
|
10. Op weg naar een moderne democratische samenleving
De terugkeer naar de democratie, na 17 jaar militair bewind, zou heel wat inspanningen vragen. Een ‘nationale commissie voor waarheid en verzoening’ werd door president Aylwin ingesteld om verslag uit te brengen over de duizenden moorden, martelingen en schendingen van de mensenrechten. Maar Pinochet, die nog tot 1998 opperbevelhebber is gebleven van het leger, alsook andere militaire leiders genoten van een vroegere amnestiewet. Vele Chilenen waren nog bang en zwegen. Gefolterde en verbannen politici misten de kracht om met het dictatoriaal verleden af te rekenen. Daarbij bleven vele belangrijke posten in het leger en in het gerecht in handen van door Pinochet benoemden, zodat men eerder moest spreken van een ‘gekooide democratie’. Sinds de terugkeer van het burgerbewind en na de dood van kardinaal Silva Henriquez waren de kerkleiders teruggevallen in een veel traditionelere rol van religieuze en morele waarden. Ze verschansten zich als het ware in een loopgraaf tegen echtscheidingen, pil, condoom en abortus. Die defensieve houding is ten dele ook een reactie tegen de opmars van andere kerken en secten, die vanuit de USA infiltreerden. Veel hoop wordt gesteld op de gloednieuwe kardinaal, die echter bij de aanvaarding van zijn kardinaalshoed begin 2001 geen echt progressief geluid liet horen. Hij meandreerde al zalvend tussen de mensenrechtenschenders en hun slachtoffers zonder duidelijk in de bres te springen voor de problemen van het dagelijkse gezinsleven en die van de Derde Wereld, noch voor de rechtmatige verzuchtingen van de actieve en progressieve basisgemeenschappen van gelovigen.
Ballingen uit het buitenland konden terugkeren, politieke gevangenen werden vrij gelaten..De uitgewekenen waren doorgaans ondernemende bekwame mensen, die elders een nieuw bestaan wisten uit te bouwen. Hun terugkeer was vaak een moeilijk proces. Sommigen van hen beschouwden allen die waren gebleven als ‘collaborateurs’, terwijl vele gebleven Chilenen die dag-in-dag-uit te maken hadden met dreigende militaire terreur de terugkerende emigranten beschouwden als ‘lafaards’ die weg waren gelopen. Zulke standpunten verzoenen werd een hele klus. Toch werd het land tamelijk rustig en de belangrijke politieke partijen waren het eens over de te varen economische koers.
In december 1993 werd de christen-democraat Eduardo Frei, zoon van de vroegere president uit de jaren zestig, de nieuwe president voor zes jaar. De vrije marktpolitiek werd voortgezet en Chili kende in de jaren negentig een ononderbroken economische groei, zodat Chili nog moeilijk een ontwikkelingsland kan genoemd worden. Meer aandacht kon gaan naar sociale kwesties, naar milieuzorg en het wegwerken van de grote verschillen in huisvesting en welzijn, wat in het Pinochetbewind niet zoveel interesse kreeg.
De politieke partijen waren het onderling eens om de christen-democratische presidenten te laten afwisselen met een socialistische. Zo werd Lagos einde 1999 gekozen tot nieuwe president. Hij is een linkse populaire figuur, maar krijgt af te rekenen met de negatieve kanten van een prioritaire kapitalistische economie, zoals drugs, alcohol, onveiligheid, ontevredenheid, moeilijk te dichten kloof tussen arm en rijk, bittere concurrentie en stress waarmee het economisch wonder gepaard gaat. ‘Groei met gelijkheid’ is niet eenvoudig te realiseren. Als de ongelijkheid niet verkleint dreigt opnieuw sociale spanning, die de jonge democratie in gevaar kan brengen. Volgens regeringsstatistieken leefden in 1997 nog 800 000 Chilenen in bittere armoede met een maandinkomen van minder dan dertig dollar. Zoals een journalist het uitdrukte : "er bestaan nog steeds twee Chili’s, één met creditcards en computers, en één dat alleen maar probeert te overleven". De laatsten leven in de krottenwijken van de steden of op het platteland als landarbeiders, kleine boeren of indianen. Anderzijds kan onvoldoende afgerekend worden met het dictatoriaal verleden. Pinochet werd uiteindelijk toch aan Chili uitgeleverd. In de ogen van velen is hij een monster, maar voor evenveel Chilenen blijft hij hun generaal. Te oud en te zwak van gezondheid om terecht te staan, blijft Pinochet vooralsnog buiten schot.
Chili, dat de gentleman is van Latijns-Amerika met de sterkste economie van de regio, is een bevoorrechte handelspartner van de USA en Amerikaanse investeerders genieten veel bijval, zodat Chili geruisloos terug schuift in een USA-overheersing. Anderzijds blijft Chili opgescheept met een groot ‘eilandgevoel’, geklemd tussen de hoge Andes en de Pacifische Oceaan. Zo wordt het ook vanuit Europa bekeken en bestempeld. Toch verdient Chili beter. De economische, politieke en democratische vooruitgang van de jaren negentig dwingen respect af. De landschappen zijn indrukwekkend, Chili’s grondstoffenrijkdom in landbouw, visserij en mijnbouw is enorm. Het nog erg verborgen menselijk potentieel is van die aard, dat Chili uit het geografisch isolement moet kunnen geraken. Daarom verdient Chili ook meer Europese steun voor sociale projecten, industriële investeringen en toeristische appreciatie. De Europese belangstelling mag met andere woorden niet beperkt blijven tot het kopen van Chileense wijn en het terecht staan van Pinochet.
vragen of opmerkingen over deze website : leo.page@telenet.be
Laatst bijgewerkt: 15 mei 2011